Tussentijds beoordelen met 5 minuten formatief

formatief Blijven Leren

Als docent ben ik voortdurend bezig met het monitoren van de voortgang van mijn studenten. Er zijn verschillende manieren om dat te doen. Vaak gebeurt het monitoren door middel van toetsing. Van studenten krijg ik daarover verschillende dingen terug. Sommigen vinden het fijn, want het stimuleert hen om ervoor te gaan omdat ze ook een cijfer krijgen. Anderen worden eerder gespannen door de hoeveelheid cijfers dan dat het helpt om te leren.

Welke middenweg is er? Hoe kan ik meten of de studenten goed bezig zijn, zonder dat het een beoordelingsmoment voor ze wordt wat voor druk kan zorgen? En hoe zorg ik ervoor dat het voor de studenten, die de beoordeling wel nodig hebben als stimulans, ook waardevol is om eraan deel te nemen? Lees hieronder meer over de formatieve werkvormen die ik heb ontdekt.

5 minuten formatief

Ik wilde me verdiepen in formatieve toetsing als vervanger van summatieve toetsing. Er is onderzoek gedaan naar de meerwaarde van formatief toetsen. De belangrijkste uitkomsten zijn dat het een positieve invloed heeft op de motivatie van studenten. Ook leren de studenten meer van feedback dan van cijfers.

In mijn zoektocht stuitte ik op het spel ‘5 minuten formatief’ van ‘Onderwijs maak je Samen’. De werkvormkaarten kan je op verschillende manieren inzetten. Het volgende staat achterop de verpakking: “Het spel helpt inzicht te krijgen in het leerproces van de leerling. Het geeft leraren en leerlingen houvast om de leerdoelen helder te maken, feedback aan elkaar te geven en te zien wat nodig is om de doelen te halen. De werkvormen kunnen gebruikt worden als aanvulling op de lesmethode”.

40 werkvormkaarten, en nu?

Het spel bevat 40 werkvormen. Voor ieder type docent, voor iedere doelgroep en voor elke lesinhoud zit er wel iets tussen. Maar hoe gebruik je deze werkvormkaarten? Zelf gebruik ik de kaarten als inspiratie. Ik voeg ideeën samen met eigen ideeën en maak er wat van wat voor mij fijn werkt. Ik vind het namelijk belangrijk dat ik zelf achter de werkvorm sta, zodat ik hem met overtuiging kan inzetten. Daarnaast werk ik in het mbo en pas ik de werkvormen graag zo aan dat ze mooi aansluiten bij het beroep waarvoor ik mijn studenten opleidt.

Als je de kaarten bekijkt kan je een selectie maken van type werkvormen/strategieën:

– Doelen stellen;
– Feedback;
– Feedback in de groep;
– Zelfregulatie.

Deze termen roepen wel iets op, maar het kost mij nog wel tijd om te bedenken hoe ik het dan in kan zetten.

Wat ik doe is de kaarten zelf sorteren. Hierbij maak ik gebruik van mijn voorkennis van werkvormen, mijn verbeeldingskracht en ik houd ook mijn doelgroep in gedachten. Zo maak ik aansluitend bij mijn praktijk een nieuwe selectie met:

– Werkvormen om de voorkennis op te halen bij de student;
– Werkvormen om te meten of de lesstof is blijven hangen bij de student;
– Werkvormen die gebruikt kunnen worden om het eigen werk van de student te verbeteren.

Laatstgenoemde termen zijn voor mij al wat specifieker. Het gaat om werkvormen die je kunt inzetten om te checken wat de studenten al weten van een onderwerp, zodat je passende lesdoelen kunt opstellen. Het gaat over werkvormen die je kunt inzetten om tussentijds de voortgang te meten zodat je aan het eind van de les je lesdoel voor volgende les kan bepalen. Ook zijn het werkvormen die je kan gebruiken om de studenten van feedback te voorzien. Je kan dat indirect doen door ze bij anderen te laten kijken of juist direct door ze feedback te laten geven aan klasgenoten. Feedback ontvangen van klasgenoten hoort daar ook bij.

Hoe maak je een werkvorm passend bij jouw vak?

De kaarten zijn zo geschreven dat je ze gemakkelijk kunt toespitsen op jouw vak. Zo kan je bijvoorbeeld gebruik maken van ‘nieuwe leerstof’ in een werkvorm. Deze leerstof kan per vak verschillend zijn. Bij een andere werkvorm gaan studenten een ‘onderzoeksplan’ presenteren. Dat kan in mijn vakgebied een dienstverleningsplan zijn, een persoonlijk ontwikkelplan of een concept projectplan. Bij het vak Nederlands kan het een sollicitatiebrief zijn, de uitwerking van een (boek)verslag of een grammaticale uitleg die ze hebben uitgewerkt voor een ander. Als je Rekenen geeft kan het gaan over de uitleg van een som. Bij Aardrijkskunde misschien wel over een verslag met het thema klimaatverandering. Als Geschiedenisleraar zou ik me kunnen voorstellen dat er een historische gebeurtenis uitgelegd wordt.

3 Werkvormkaarten nader besproken

Zojuist beschreef ik de 3 thema’s waarin ik de kaarten heb gesorteerd. Per thema zal ik een werkvormkaart uitleggen, zodat je deze direct kunt toepassen in jouw praktijk. Mochten er specifieke  vragen zijn verzamel ik ze graag in de reacties onder dit artikel, waarna ik wellicht een vervolgartikel kan schrijven dat daar nader op in gaat.

ABC’tje (31)

Categorie: Werkvormen om de voorkennis op te halen bij de student

Bij deze werkvorm associëren studenten samen over de leerstof.

1. Maak 26 stroken papier met op elke strook een letter van het alfabet en voldoende schrijfruimte;
2. Maak groepen van maximaal 6 leerlingen. Geef elke groep random een aantal  letters. Verdeel moeilijke letters C, Q, X en Y goed over de groepen of laat ze weg;
3. Laat de groepen bij elke gegeven letter een woord schrijven dat past bij de leerstof;
4. Laat alle stroken op alfabetische volgorde op het bord hangen;
5. Bespreek de woorden die om discussie of uitleg vragen met de klas.

Je neemt de stroken met de studenten door en bekijkt wat inderdaad bij de leerstof hoort en wat niet. Als variatie kan je peilen waar de studenten iets van weten en waar ze minder van weten, zodat je gericht lesdoelen kunt opstellen. Het is raadzaam om zelf ook een abc’tje te maken, zodat je begrippen die niet worden genoemd kunt toevoegen. Ook kan je de klas helpen als ze er niet uit komen.

Tegenwoordig zijn er veel digitale toepassingen die je kunt gebruiken om deze brainstorm ook digitaal te doen. Mogelijk interessant om je ook daar in te verdiepen.

Je kunt deze werkvorm verbinden aan werkvormkaart 1: Bam! In één woord samengevat. De studenten kunnen dan een begrip in een propje verfrommelen en naar de docent gooien, of in een bak gooien. Als docent kan je ervoor zorgen dat elke les een (aantal) propje(s) worden behandeld.

Mini Whiteboards (6)

Categorie: Werkvormen om te meten of de lesstof is blijven hangen bij de student

Je krijgt snel inzicht in het begrip van alle studenten in de klas.

1. Deel de whiteboards uit;
2. Stel een makkelijke vraag die met één of twee woorden te beantwoorden is;
3. De leerlingen schrijven hun antwoord op het mini-whiteboard en houden hun mini-whiteboard omhoog;
4. Inventariseer en bespreek de antwoorden;
5. Stel een vervolgvraag die past bij het niveau van de klas of een groep leerlingen en vraag op dezelfde wijze de antwoorden terug.

Een goedkope oplossing als whiteboard is een gelamineerd A4 van 120-grams papier.

Je stelt vragen om te checken of de klas goed heeft onthouden wat jij die dag behandeld hebt. Je kunt deze werkvorm ook bij de start van de volgende les doen als een terugkoppeling.

Om de betrokkenheid in de groep te vergroten, kan je hier tevens ambassadeurs voor aanstellen. De werkvorm ‘Abassadeurs (19)’ kan je daarbij gebruiken. Je geeft in dat geval een duo de taak om vragen te formuleren over leerstof die besproken is tijdens de les. Deze vragen worden dan nabesproken. Je kunt ze ook de taak geven om kritische vragen te stellen zodat de studenten hun antwoorden – die ze op de whiteboards hebben geschreven – moeten toelichten. De andere studenten zijn een soort van regering die ervoor moet zorgen dat ze zo overtuigend mogelijk aan de ambassadeurs laten weten hoe het zit. Zo worden ze gestimuleerd om goede argumenten te bedenken.

Het is wel aan te raden om de ambassadeurs, voor het stellen van vragen, criteria mee te geven. Er moeten dan bijvoorbeeld vragen bij zijn waar beargumentering een rol speelt, zodat ze er kritisch op kunnen doorvragen.

Beter goed gejat (18)

Categorie: Werkvormen die gebruikt kunnen worden om het eigen werk van de student te verbeteren

1. De leerlingen werken in groepen van maximaal zes personen aan een opdracht;
2. Tegen het einde van de werktijd leggen de groepen hun uitwerking zichtbaar op tafel en staken ze hun overleg. Per groep gaat één leerling op rooftocht: die leerling gaat afkijken bij de producten van de andere groepen;
3. Na twee minuten rooftocht keren de leerlingen terug naar hun eigen groep en vertellen ze welke goede ideeën zij hebben gezien bij de anderen;
4. In overleg met de andere groepsleden wordt het product van de groep wel of niet aangepast.

Studenten gaan bij deze werkvorm geoorloofd afkijken bij elkaar en reflecteren op hun eigen werk. Dit kan je halverwege de periode bij een project doen zodat bekeken kan worden op welke manier anderen de projectonderdelen hebben opgepakt. Je kunt deze werkvorm ook inzetten om bij elkaar te kijken bij het maken van een ander soort opdracht. Bij Nederlands zou dit het schrijven van een motivatiebrief kunnen zijn. Het kunnen ook reguliere lesopdrachten zijn.

Mocht je bang zijn dat de studenten verkeerde dingen van elkaar overnemen, kan je ook voor een variant kiezen waarbij je zelf een goede versie ergens neer legt. Als variatie kan je er ook een gesprek aan koppelen: wat is nu goed en waarom is dat  zo goed? Dan kan je als docent bijsturen en zorg je ervoor dat de studenten inzicht krijgen in wat goed is. Daarbij kan je ook de volgende kaart toevoegen: ‘Van zwak naar goed (2)’.

Bij deze werkvorm krijgen de studenten 3 voorbeelden te zien die zij in groepjes van zwak naar goed moeten leggen. De groepjes beargumenteren hun beslissing en die beargumentering wordt nabesproken. Belangrijk is wel om van tevoren criteria op te geven waarop de voorbeelden beoordeeld moeten worden. Dit kunnen de volgende criteria zijn: spelling, structuur, zinsopbouw, publiekgerichtheid, mate waarin dingen specifiek benoemd zijn. Mooi is om deze criteria aan te laten sluiten bij waar jij op let bij het beoordelen van de eindopdracht.

Hoelang duurt zo’n werkvorm?

De kaarten zijn ontwikkeld voor 5 minuten. In de praktijk zal je er wel wat langer mee bezig zijn denk ik. Afhankelijk van je doelgroep en de spanningsboog, is het verstandig is om een maximale tijd aan te houden. Zelf hanteer ik vaak 15-20 minuten als maximale duur. Het is anders als je de werkvorm weet te thematiseren. Wanneer de werkvorm gelinkt is aan het lesdoel, kan je er meer tijd voor gebruiken. Let ook dan op de spanningsboog van de studenten.

Meer informatie

Ik heb de kaarten online besteld bij ‘Onderwijs maak je Samen’. Mocht je een specifieke vraag hebben over het inzetten van de kaarten bij jouw vakgebied of bij een specifiek lesdoel, laat het dan weten in de reacties. Ik zal de vragen verzamelen en bekijken of ik er individueel op terug kom of dat ik een vervolgartikel schrijf.

Onderdeel worden van de Blijven Leren community?

Door mij te volgen op sociale media en je gratis te abonneren in de sidebar, kan je deel uit blijven maken van de Blijven Leren community. Wil je meer dan dat? Ik verzorg workshops & inspiratiesessies en ik ontwikkel lesbrieven en content voor de vo en mbo-docent. Hier vind je meer informatie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *